De aansprakelijkheid van vennoten bij nagelaten openbaarmaking van de economische heroprichting van een GmbH (19-03-2012)

In de dagelijkse praktijk komt het wel eens voor dat de bedrijfsactiviteiten van een GmbH tijdelijk worden stilgelegd, zodat er van de GmbH slechts nog een 'huls' over is. Bij een reactivering van deze 'huls' door middel van de facilitering met een nieuwe doelstelling van de onderneming, firma, zetel etc. is er sprake van een economische heroprichting. Een dergelijke heroprichting gaat gepaard met aanzienlijke aansprakelijkheidsrisico's voor de vennoten. Bij een economische heroprichting van een stilgelegde GmbH zijn de vennoten aansprakelijk voor het aanvullen van het vennootschapsvermogen tot aan het in de statuten vastgelegde bedrag van het stamkapitaal (Unterbilanzhaftung). Bovendien dienen de vennoten de economische heroprichting tegenover het kantongerecht kenbaar te maken. In de jurisprudentie en literatuur was het tot dusver omstreden hoe de aansprakelijkheid te beoordelen is wanneer de benodigde openbaarmaking ten opzichte van de kantonrechter achterwege blijft. In een recentelijk gedane uitspraak heeft de Duitse Hoge Raad besloten dat het er bij een Unterbilanzhaftung op aankomt of er op het tijdstip van de heroprichting een dekkingstekort bestond tussen het vermogen van de vennootschap en het statutaire stamkapitaal (zie ook BGH, uitspraak van 6 maart 2012, II ZR 56/10)

Bij vragen over het Duitse vennootschapsrecht kunt u terecht bij Andreas Lutze.

Europees parlement stemt in met koppeling van Europese handelsregisters (02-03-2012)

Wanneer het aan het Europees parlement en de Europese Commissie ligt, wordt het in de nabije toekomst mogelijk om bedrijfsinformatie uit het handelsregister grensoverschrijdend in de eigen taal aan te kunnen vragen.
Een daartoe strekkend voorstel voor een richtlijn van de Europese Commissie heeft het Europees parlement op 14 februari jl. aangenomen. Vennootschappen en hun filialen in andere lidstaten zullen conform de richtlijn een uniform nummer verkrijgen, zodat de identiteit van de vennootschappen binnen de gehele Europese Unie eenduidig vastgesteld kan worden.
De geinstitutionaliseerde samenwerking zal voor ondernemingen en burgers een aanzienlijke tijds- en kostenbesparing opleveren. Via een koppeling tussen alle handelsregisters in de Europese Unie zal het in de toekomst mogelijk worden om onmiddellijk kennis te verkrijgen over bv. de opening van een faillissementsprocedure of de verwijdering van de registratie uit het handelsregister. De richtlijn moet nu nog door de Europese Raad worden aangenomen.

Bij vragen over het Duitse ondernemingsrecht kunt u terecht bij Andreas Lutze.

Exitheffing bij grensoverschrijdende zetelverplaatsing van ondernemingen (25-01-2012)

Sinds enkele jaren is het mogelijk dat vennootschappen hun zetel onder bepaalde voorwaarden naar andere Europese lidstaten verplaatsen (Zie nieuwsbrief 'Vertrek naar het buitenland - grensoverschrijdende zetelverplaatsing van een Duitse GmbH') Deze ontwikkeling vloeit voort uit het Europese recht op vrijheid van vestiging. Een van de struikelblokken bij een zetelverplaatsing naar een andere lidstaat is dat het in de praktijk telkens weer voorkomt, dat de nationale belastingdienst de vertrekkende vennootschap fiscaal discrimineert. Immers worden de latente meerwaarden in de verplaatste activa bij vertrek naar een andere lidstaat onmiddelijk belast, terwijl dergelijke meerwaarden niet worden belast wanneer een vergelijkbare vennootschap haar zetel binnen het grondgebied van de betreffende lidstaat verplaatst.
In een recente uitspraak heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie daarom een salomonsoordeel geveld. Het Hof bevestigde dat de belastingdienst een heffing mag opleggen over de latente meerwaarde in de activa van de vertrekkende onderneming (de zogenaamde fiscale exitheffing). Echter dient dit vanuit een liquiditeitsoogpunt op een evenredige wijze te geschieden, door de heffing vooralsnog slechts vast te stellen en bedrijven de mogelijkheid te bieden om pas later af te rekenen met de fiscus, bijvoorbeeld op het moment van realisatie van de betrokken activa (zie Europees Hof, arrest van 29-11-2012, National Grid Indus, C-371/10).
Deze uitspraak betrof een Nederlandse zaak, maar is ook in Duitsland in acht te nemen. Of de Duitse regeling aan de richtlijnen voldoet kan betwijfeld worden: volgens artikel 4g van de Duitse belastingwet wordt er geen uitstel van betaling gegeven van de heffing tot aan de realisering van betrokken activa, maar wordt de heffing over een periode van vijf jaar verdeeld en dat ook slechts dan wanneer de vennootschap haar statutaire zetel in Duitsland behoudt (dus slechts de bedrijfsleiding naar het buitenland verplaatst). De Duitse wetgever zal haar beleid waarschijnlijk moeten corrigeren. Derhalve is het raadzaam om onder verwijzing naar de nieuwe jurisprundentie een Steuerberater in de arm te nemen en zonodig bezwaar in te dienen tegen de exitheffing van de Duitse belastingdienst.

Bij vragen over de verhuizing van vennootschappen naar het buitenland kunt u terecht bij Andreas Lutze.

De verklaring over de beëeindiging van de functie als Geschäftsführer van een GmbH (15-08-2011)

Wij adviseren talrijke Nederlandse ondernemingen respectievelijk hun Duitse (dochter-)vennootschappen. Vaak hebben de Duitse dochterbedrijven een Duitse Geschäftsführer. Het komt regelmatig voor, dat deze zijn functie als Geschäftsführer neerlegt, omdat er meningsverschillen met de Nederlandse aandeelhouders zijn ontstaan. Tot dusver was het controversieel naar welk recht de vraag beoordeeld dient te worden of de verklaring van de beëindiging van de functie als Geschäftsführer de buitenlandse aandeelhouders heeft bereikt. De Duitse Hoge Raad (BGH) heeft recentelijk besloten, dat deze vraag naar het Duitse recht beoordeeld dient te worden (zie BGH, uitspraak van 21 juni 2011, II ZB 15/10). In de onderhavige zaak had een Geschäftsführer zijn verklaring van beëindiging per fax naar het Amerikaanse moederbedrijf verstuurd. Een niet-vertegenwoordingsbevoegde medewerker van het Amerikaanse moederbedrijf bevestigde de ontvangst van de de fax. Vervolgens weigerde het handelsregister de beëindiging van de functie als Geschäftsführer in te schrijven. Ten onrechte, zoals later bleek. Het BGH heeft in deze zaak thans besloten dat het voor de betekening van een wilsverklaring niet aankomt op het - mogelijkerwijs gecompliceerde - locale (buitenlandse) recht van de ontvanger, maar op het recht van de plaats van verzending, aldus het BGH. Wordt de wilsverklaring van de Geschäftsführer, waarin deze afstand doet van zijn functie schriftelijk in afwezigheid van de ontvanger afgegeven (bijvoorbeeld per fax), dan verkrijgt de verklaring op het moment van betekening rechtswerking. Een wilsverklaring kan in deze zin gezien worden als betekend op het moment dat de wilsverklaring dusdanig binnen het bereik van de ontvanger is gekomen, dat deze onder normale omstandigheden de mogelijkheid heeft om van de inhoud van de verklaring kennis te nemen.

Bij vragen over het vennootschapsrecht kunt u terecht bij Andreas Lutze.

GmbH mag gebruik maken van een Duits „c/o' adres (16-06-2011)

Bij de inschrijving van een GmbH in het handelsregister is de Geschäftsführer onder meer verplicht een adres van de betreffende GmbH in Duitsland aan te geven. Hiermee wordt beoogd eventuele problemen bij het bezorgen van poststukken te voorkomen. Dit is met name van belang wanneer de daadwerkelijke bestuurszetel van de GmbH zich in het buitenland bevindt (zie ook onze nieuwsbrief van maart 2011). Het Oberlandesgericht Hamm heeft onlangs in een uitspraak bevestigd dat ook een Duits c/o (care of) adres van een GmbH of een Aktiengesellschaft als adres kan worden opgegeven (OLG Hamm, uitspraak van 20-01-2011, dossiernr. I-15 W 485/10). Deze uitspraak betekent meer flexibiliteit voor een GmbH, waarvan de daadwerkelijke bestuurszetel naar Nederland verplaatst moet worden.

Bij vragen over het vennootschapsrecht kunt u terecht bij Andreas Lutze.

Duitse rechter vergemakkelijkt de overgang van UG naar GmbH (31-05-2011)

De 'Unternehmergesellschaft' (UG) is het antwoord van de Duitse wetgever op de Engelse „Limited'. De UG is geen aparte rechtsvorm, maar kan worden gezien als een GmbH met een minimumstamkapitaal van minder dan € 25.000,- (zie ook onze nieuwsbrief van maart 2011). Daarom wordt de UG ook vaak '1-Euro-GmbH' genoemd. Een kenmerk van de UG is dat het stamkapitaal vóór de aanmelding van de UG bij het handelsregister volledig en in contant gestort dient te worden. Storting van het minimumkapitaal anders dan in geld, hierna inbreng in natura genoemd, is niet toegestaan. Tot dusver was het omstreden of dit verbod ook geldt voor kapitaalverhogingen. Over deze vraag heeft de Duitse Hoge Raad nu de volgende uitspraak gedaan. Het verbod om het geplaatst kapitaal van een UG te verhogen door inbreng in natura geldt niet, indien het stamkapitaal na de kapitaalsverhoging € 25.000,- of meer bedraagt (zie BGH, uitspraak van 19-04-2011, dossiernr. II ZB 25/10). Met het bereiken van een stamkapitaal van € 25.000,- respectievelijk met het inschrijven van de betreffende kapitaalverhoging in het handelsregister vallen alle wettelijke beperkingen, die voor de UG gelden, weg (zie ook onze nieuwsbrief van 23.10.2010). De vennootschap mag dan het toevoegsel 'UG (haftungsbeschränkt)' veranderen in 'GmbH'.

Bij vragen over het oprichten van een GmbH of UG kunt u contact opnemen met Andreas Lutze.

Informatieplicht bij verkoop van GmbH-aandelen (06-04-2011)

Volgens vaste rechtspraak van het Bundesgerichtshof dient een verkoper een koper ongevraagd over omstandigheden en aspecten te informeren, die klaarblijkelijk voor de koopbeslissing van de koper van doorslaggevende betekenis zijn. Het Brandenburgse Oberlandesgericht heeft deze rechtspraak nu ook op de verkoop van GmbH-aandelen toegepast. Volgens deze uitspraak is de verkoper bij een gespannen financiële situatie van de GmbH verplicht om alle verbintenissen van de vennootschap ongevraagd open te leggen (zie uitspraak van 24 november 2010, dossiernummer 7 U 36/09).
In onderhavige zaak had de verkoper aan de koper verzwegen dat de GmbH in een financiële crisis zat. Het Oberlandesgericht beoordeelde het zwijgen van de verkoper als een arglistige misleiding, die de koper het recht tot aanvechting van de koopovereenkomst geeft. Als advocaten raden wij kopers van GmbH-aandelen aan uit zuiver voorzorg voor de koop altijd een Due Diligence te verrichten en zich door de verkoper de nodige garanties te laten toekennen. Bij een schending van dergelijke garanties heeft de koper namelijk ook het recht op schadevergoeding van de verkoper.
Bij vragen over de aankoop van GmbH-aandelen kunt u terecht bij Andreas Lutze.

 

Voormalige Geschäftsführer heeft geen aanspraak op verdere tewerkstelling in een vergelijkbare leidinggevende functie binnen de GmbH (21-01-2011)

Wij vertegenwoordigen talrijke Nederlandse ondernemingen, die het dagelijks bestuur van de Duitse dochter-GmbH in handen hebben gegeven van een Duitse Geschäftsführer. Niet zelden ontstaan er geschillen tussen de Nederlandse moedermaatschappij en de (Duitse) Geschäftsführer. Vaak ligt de oorzaak voor deze geschillen in de Nederlands-Duitse cultuurverschillen, die ook in het zakenleven een grote rol spelen. Voor Nederlandse moedermaatschappijen is het daarom van bijzonder belang om de structurele bijzonderheden van het Duitse recht reeds voor de afsluiting van een aanstellingovereenkomst voor de Geschäftsführer te kennen. Op deze wijze kunnen dure rechtsgeschillen met de Geschäftsführer worden voorkomen.

In het Duitse recht wordt er gedifferentieerd tussen de aanstelling van de Geschäftsführer als orgaan van de onderneming enerzijds en het arbeidsrechtelijke dienstverband van de Geschäftsführer anderzijds. Uit dit juridische onderscheid vloeit voort dat beide rechtsverhoudingen ook volgens de desbetreffende voorschriften moeten worden beëindigd. Dit principe wordt bijzonder aanschouwelijk geïllustreerd door een actuele uitspraak van  het Bundesgerichtshof (BGH), vergelijkbaar met de Hoge Raad in Nederland (zie BGH, uitspraak van 11-10-2010, II ZR 266/08). In onderhavig geval was de Geschäftsführer  van de Bundeskunsthalle GmbH op grond van een rechtsgeldig ontslagbesluit van de algemene vergadering van zijn hoedanigheid als bestuurder van de GmbH ontslagen. Vervolgens werd op grond van een daartoe strekkend besluit van de algemene vergadering ook de (arbeidsrechtelijke) aanstellingovereenkomst van de Geschäftsführer opgezegd. Deze diende vervolgens met succes een bezwaar in tegen de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, omdat zijn arbeidsovereenkomst (bij wijze van uitzondering) volgens een specifieke CAO niet kon worden opgezegd. De GmbH was vervolgens in eerdere instanties veroordeeld om het salaris aan de eiser verder uit te keren en hem tegen dezelfde contractuele voorwaarden te werk te stellen in een functie, die vergelijkbaar was met zijn eerdere functie als directeur en intendant van de Bundeskunsthalle. Hiertegen verweerde de Bundeskunsthalle zich met succes voor het BGH. Weliswaar bevestigde het BGH de aanspraak van de eiser op doorbetaling van zijn salaris. Volgens het BGH bestaat er echter geen schuldrechtelijke aanspraak op een verdere tewerkstelling als Geschäftsführer. Een functie die lager is dan het niveau van Geschäftsführer komt alleen dan in aanmerking voor zover dit in de aanstellingsovereenkomst overeengekomen is, aldus de BGH. Een dergelijke afspraak was in het onderhavige geval niet getroffen.

Bij vragen over de functie van een Duitse Geschäftsführer kunt u zich wenden aan Andreas Lutze.

 

Het uitgroeien van een 'Unternehmergesellschaft' tot een 'klassieke' Duitse GmbH (23-10-2010)

Volgens een actuele uitspraak van het Oberlandesgericht (OLG) München geldt de verplichte toevoeging 'Unternehmergesellschaft (haftungsbeschränkt)' tot de bedrijfsnaam van een Unternehmergesellschaft zo lang totdat de aandeelhouders het voor een GmbH vereiste minimumstamkapitaal van € 25.000,- ook daadwerkelijk hebben gestort. Voor meer informatie over deze uitspraak klik hier.

Bij vragen over het oprichten van een Duitse GmbH of een UG kunt u terecht bij Andreas Lutze.


Het stemrecht van de voorzitter van een aandeelhoudersvergadering (25-08-2010)

Tijdens aandeelhoudersvergaderingen van een GmbH speelt de voorzitter een centrale rol. Zijn taak is het niet alleen de vergadering bijeen te roepen, te openen en af te sluiten, maar ook het overleg en het besluitvormingsproces te leiden. Voorzover de voorzitter gemachtigd is, kan hij het totstand komen van besluiten ook (voorlopig) bindend vaststellen. De onjuistheid van een dergelijke vaststelling  is per definitie slechts binnen een vastgestelde termijn in het kader van een eis tot vernietiging aanvechtbaar. Tegen deze achtergrond wordt bij omstreden aandeelhoudersvergaderingen ook wel eens gepoogd om de voorzitter middels afstemming te vervangen door een andere voorzitter. Het Duitse Bundesgerichtshof (BGH) heeft recentelijk een uitspraak gedaan in een dergelijke casus (zie BGH, Az. II ZR 230/08).
De gedaagde had in deze casus naar voren gebracht dat de voorzitter van de vergadering in het kader van de stemming over de beeindiging van zijn amt als voorzitter geen stemrecht had, omdat er sprake zou zijn van belangenverstrengeling ten aanzien van enkele agendapunten. De BGH heeft deze argumentatie verworpen. Volgens het BGH heeft een voorzitter van de aandeelhoudersvergadering die tegelijkertijd ook aandeelhouder is, in beginsel het recht om in het kader van de bovengenoemde stemming zijn stem uit te brengen. Op het moment dat de voorzitter de uitkomst van de stemming over een agendapunt vaststeld, dient de voorzitter echter de wettelijke regels in acht te nemen, aldus het BGH. Hieronder valt met name een mogelijk stemverbod in verband met een belangenverstrengeling conform § 47 lid 4 GmbHG.

Bij verdere vragen over het Duitse vennootschapsrecht kunt u contact opnemen met Andreas Lutze


Ontslag op staande voet voor directeur GmbH wegens gebrekkige interne controle binnen concern (april 2010)

Ons kantoor vertegenwoordigt talrijke Nederlandse-Duitse concerns. Het begrip 'concern' is in Duitsland wettelijk gedefinieerd. Meerdere ondernemingen vormen een concern, indien een heersende onderneming en een of meerdere ondergeschikte ondernemingen onder het uniforme bestuur van de heersende onderneming geclusterd zijn (artikel 18 Aktiengesetz).  
Het Oberlandesgericht (OLG) Thüringen heeft onlangs uitspraak gedaan in een zaak, waarin er foutieve en schijnboekingen bij de dochtermaatschappij binnen een concern aan het daglicht waren gekomen (zie OLG Thüringen, dossiernummer 7 U 244/07). Deze onregelmatigheden werden vastgesteld door een onafhankelijke deskundige, die door de moedermaatschappij, een Duitse GmbH, was ingeschakeld. Deze deskundige meldde de onregelmatigheden aan de moedermaatschappij in een onderzoeksrapport. Vervolgens heeft de moedermaatschappij de aanstellingsovereenkomst met haar Geschäftsführer (directeur) in verband met de onregelmatigheden per direct opgezegd.
De wettelijke termijn voor het buitengewoon ontslag van een aanstellingsovereenkomst van een Geschäftsführer bedraagt twee weken. Het OLG heeft vastgesteld, dat de wettelijk bepaalde termijn van twee weken voor het buitengewoon ontslag pas ingaat op het moment dat het onderzoeksrapport door de deskundige is voorgelegd en niet reeds op het moment dat de onderzoeksopdracht is verstrekt. Volgens het OLG is de Geschäftsführer van een moedermaatschappij verplicht toezicht te houden op de naleving van fundamentele verplichtingen, zoals de boekhoudingsplicht, bij de dochtermaatschappijen en een daartoe strekkend systeem van interne controle op te zetten. Komt de Geschäftsführer van de moedermaatschappij deze toezichtplicht niet na, dan loopt hij niet alleen het gevaar op staande voet te worden ontslagen. Onder omstandigheden kan hij ook persoonlijk aansprakelijk gesteld worden.  

Voor vragen met betrekking tot het vennootschapsrecht en de hoofdelijke aansprakelijkheid van de Geschäftsführer van een GmbH, kunt u contact opnemen met Andreas Lutze.

 

Rechtbank uit twijfel over de rechtsgeldigheid van een notariële akte over de verkoop van GmbH-aandelen door een Zwitserse notaris (december 2009)

Door de Duitse Wet ter modernisering van het GmbH-recht en ter bestrijding van misbruiken (MoMiG) is het belang van het aandelenregister aanmerkelijk toegenomen (zie ook onze nieuwsbrief van maart 2008). De bestuurder van een onderneming dient dan ook onverwijld ná de inwerkingtreding van veranderingen in de samenstelling van aandeelhouders óf van de omvang van hun aandeel, een door hem ondertekende lijst van aandeelhouders bij het Duitse handelsregister in te dienen (§ 40 GmbHG). Indien een notaris de veranderingen heeft begeleid, dan dient deze na de inwerkingtreding van de veranderingen - plaatsvervangend voor de algemeen directeur - onverwijld de gewijzigde lijst van aandeelhouders te ondertekenen en vervolgens bij het Duitse handelsregister in te dienen en een afschrift hiervan aan de vennootschap te sturen. 
De achtergrond van deze aangescherpte regelgeving is dat het aandelenregister onder MoMiG wordt gezien als enig bewijs van aandeelhouderschap van een aandeelhouder en hierdoor tevens de mogelijkheid is geschept om aandelen te goeder trouw te verwerven. De correctheid van de notariële verklaring van notarieel te begeleiden aandelentransacties wint hierdoor beduidend aan betekenis. Uiteraard mag de Duitse wetgever slechts Duitse notarissen verplichten om een dergelijke verklaring op te stellen. 
Dit leidt tot de vraag of de bekrachtiging van een aandelentransactie door een buitenlandse notaris wel aan de vormvereisten voldoet. Weliswaar heeft de Duitse Hoge raad, het Bundesgerichtshof, reeds in 1981 bevestigd dat de bekrachtiging door een Zwitserse notaris aan de vormvereisten voldeed). Sinds de Wet MoMiG van kracht is, wordt deze rechtelijke uitspraak echter in toenemende mate in twijfel getrokken. In een recente uitspraak heeft nu ook het Landgericht Frankfurt am Main twijfels geuit over de gelijkwaardigheid van de bekrachtiging van een aandelentransactie door een Zwitserse notaris omdat deze niet bevoegd is amtshandelingen, zoals de bovengenoemde mededeling aan het Duitse handelsregister, te verrichten (Az. 3-13 O 46/09).
Het blijft daarom af te wachten hoe de Duitse rechtspraak in de toekomst zal oordelen over de vraag of de bekrachtiging van een aandelentransactie door een Nederlandse notaris aan de vormvereisten van de GmbH-wet voldoet. 

Bij vragen over het Duitse vennootschapsrecht kunt u terecht bij Andreas Lutze.


Betere bescherming voor koper van aandelen in een GmbH door registratie in het aandelenregister (november 2009)

Het verwerven van aandelen in een GmbH geschiedt vaak onder opschortende voorwaarden (zoals bv. de betaling van de koopprijs). In het tijdsbestek tussen deze overeenkomst en de inwerkingtreding van de voorwaarden, zou de verkoper dezelfde aandelen nogmaals aan een andere gegadigde kunnen verkopen. Sinds de hervorming van GmbH-wetgeving in november 2008 is het mogelijk dat deze tweede koper de betreffende aandelen in de GmbH zelfs te goeder trouw verwerft (zie ook de nieuwsbrief van maart 2008). Tot dusver was het onduidelijk, hoe de eerste koper zich tegen deze  praktijk zou kunnen beschermen. In een recente uitspraak heeft het Landgericht Keulen thans besloten dat de eerste koper in het kader van de overdracht van het aandeel uit voorzorg een verweer in het aandelenregister kan laten schrijven, met als doel de verkrijging te goeder trouw van een tweede koper te verhinderen.

Heeft u vragen met betrekking tot de wetgeving rondom een GmbH of met betrekking tot het vennootschapsrecht in z´n algemeen, neemt u dan contact op met Andreas Lutze.


Vernieuwde regeling vergoedingen Raad van Bestuur (augustus 2009)

Op 5 augustus 2009 is in Duitsland een nieuwe wet in werking getreden waarin de redelijkheid en billijkheid van vergoedingen voor leden van een Raad van Bestuur van Duitse 'Aktiengesellschaften' (vergelijkbaar met de Nederlandse N.V.) wordt geregeld. Met deze nieuwe wet, die de naam „Gesetz zur Angemessenheit von Vorstandsvergütungen' (VorstAG) heeft meegekregen, reageert de Duitse wetgever op de kredietcrisis en de daarmee gepaard gaande publieke discussie over de hoogte van de bezoldiging van de leden van de Raad van Bestuur. Per saldo wordt door de VorstAG de aansprakelijkheid van de Raad van Commissarissen voor een vermogensschade in verband met te hoge vergoedingen voor de leden van de Raad van Bestuur aangescherpt.
Wat zijn de belangrijkste veranderingen van de VorstAG en welke maatregelen moet het bestuur van een AG op basis van deze nieuwe wet nemen?

  1. De vaststelling van de vergoedingen voor leden van een Raad van Bestuur is voortaan de bevoegdheid van de gehele Raad van Commissarissen. Hiervoor dient eventueel het reglement van orde van de Raad van Commissarissen aangepast te worden.
  2. De vergoeding van de Raad van Bestuur mag niet zonder gegronde reden hoger zijn dan de „gebruikelijke vergoeding'. De leden van de Raad van Commissarissen zijn aansprakelijk voor eventuele vermogensschaden die voortvloeien uit een foutieve beslissing van de Raad van Commissarissen ten opzichte van de vergoedingen van de leden van de Raad van bestuur. De vergelijkende maatstaven die door de Raad van Commissarissen worden gehanteerd en ten gronde liggen aan de beslissing over de hoogte van de vergoeding, dienen daarom goed gedocumenteerd en eventueel ook door deskundige adviezen onderbouwd te worden.
  3. De Raad van Commissarissen dient de bezoldiging van leden van de Raad van Bestuur te verlagen, indien de toestand van de vennootschap zodanig achteruit gaat, dat het onbillijk zou zijn deze beloning verder te verstrekken. 
  4. Variabele delen van de bezoldiging dienen voortaan gekoppeld te zijn aan een berekeningsgrondslag met een lange termijn karakter. 
  5. Bij de afsluiting van aansprakelijkheidsverzekeringen voor bestuurders en commissarissen moet een eigen risico ter hoogte van minstens 10% van de vermogensschade worden overeengekomen. Deze nieuwe regeling geldt ook voor niet beursgenoteerde naamloze vennootschappen.  

Bij vragen over deze nieuwe wet of over het Duitse vennootschapsrecht kunt u contact opnemen met Andreas Lutze.


Deelname van maatschappen aan vastgoedtransacties (juli 2009)

Voortaan dienen bij de aankoop van grondstukken door een „Gesellschaft bürgerlichen Rechts' (GbR), ofwel de Duitse vorm van een maatschap, ook de namen van alle maten in het kadaster ingeschreven te worden. De regelgeving omtrent het vertrouwensbeginsel waarborgt dat men voortaan van een correcte registratie van de maatschap in het kadaster mag uitgaan.
Volgens de jurisprudentie van het Bundesgerichtshof kon een maatschap zelf eigenaar van een grondstuk worden en was dan in het kadaster hetzij onder vermelding van de naam van de maatschap, hetzij onder vermelding van de maten in het kadaster geregistreerd. Deze jurisprudentie leidde echter tot moeilijkheden bij vastgoedtransacties met maatschappen, omdat de namen van de maten soms helemaal niet meer uit het kadaster af te leiden waren, of ze weliswaar genoemd werden, maar niet meer als 'authentieke kadastervermelding' gelden. Dat had onder andere tot gevolg dat de beginselen omtrent de verkrijging te goeder trouw niet meer toepasbaar waren.
Een voorbeeld ter verduidelijking: In het kadaster staat een GbR (maatschap) als eigenaar van een grondstuk geregistreerd. Als maten zijn A,B en C genoemd. Nu staat C zijn aandeel aan de GbR aan D af, maar in het kadaster blijft C gewoon verder als maat genoemd. Een koper van het grondstuk kan hier dus niet op een correcte vermelding in het kadaster afgaan. Sluit hij een overeenkomst af met de in het kadaster genoemde personen, dan verkrijgt hij geen eigendom van het grondstuk.
De inmiddels besloten herijking in verband met het vertrouwensbeginsel waarborgt, dat men als buitenstaander kan vertrouwen op de registratie van de GbR-maten in het kadaster. In het bovengenoemde voorbeeld kan de koper vanaf nu dus wèl eigenaar worden van het grondstuk (zgn. eigendomsverkrijging te goeder trouw), indien hij er niets van wist dat C zijn aandeel heeft afgestaan.
De nieuwe regeling voor de deelname van maatschappen aan vastgoedtransacties treden op de dag na de publicatie van de wetgeving in werking. Dit zal in de komende weken het geval zijn. Bron: BMJ

Bij vragen over een Duits maatschap of over het Duitse vennootschapsrecht kunt u contact opnemen met Andreas Lutze.

 

november 2008

De Wet MoMiG, die het GmbH-recht op vele punten moderniseert, is per 1 november jl. in werking getreden (zie ook de nieuwsbrieven op deze website). Bent u 'Geschäftsführer' van een GmbH en wilt u weten welke gevolgen de Wet MoMiG concreet voor u en de aandeelhouder heeft, neemt u dan contact op met Andreas Lutze.

 

September 2008

De Duitse bondsraad heeft de modernisering van het GmbH-recht in het kader van de Wet MoMiG op 19 september 2008 goedgekeurd. Deze wet heeft grote gevolgen voor het Duitse GmbH-recht (zie ook nieuwsbrieven op deze website). De Wet MoMiG treedt in werking in de maand na publicatie in de staatscourant. Dit zal waarschijnlijk 1 november 2008 zijn. Graag houden wij u op de hoogte.

 

Juli 2008

» Klik hier om een opinieartikel van Andreas Lutze met betrekking tot de '1-Euro-GmbH´ in Accountant.nl te lezen.

» Klik hier om een persbericht van Andreas Lutze met betrekking tot de modernisering van het GmbH-recht te lezen.